Op 1 januari 2016 treedt de Verzamelwet SZW 2016 in werking. Hierin wordt (onder meer) artikel 22a Participatiewet (kostendelersnorm) gewijzigd en artikel 19a Participatiewet (kostendelende medebewoner) ingevoerd. Doordat door de wijzigingen belanghebbenden er op vooruit of achteruit kunnen gaan en dat zelfs als de norm ongewijzigd blijft, de grondslag van de toekenning van bijstand wijzigt, zal het bestand kostendelers wederom herbeoordeeld moeten worden (rapportage en beschikking). Tevens is er weer sprake van overgangsrecht, waarbij een herbeschikking (en mede daarmee een normwijziging) pas 1 juli 2016 nodig is in de gevallen dat de wetswijziging op 1 januari 2016 tot een lagere norm had moeten leiden. In de overige gevallen zal de heroverweging op 1 januari geregeld moeten zijn (hogere norm, overeenkomstige norm, etc.). Zie artikel 78# Participatiewet nieuw.

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de wijzigingen die samenhangen met de kostendelersnormsystematiek voor de persoon die op de dag voor inwerkingtreding van die wijzigingen recht op algemene bijstand heeft, pas ingaan een half jaar na inwerkingtreding van de wijzigingen. Dit omdat deze wijzigingen voor bepaalde groepen een inkomensachteruitgang betekent en deze mensen de tijd moeten hebben zich hierop voor te bereiden. De regering acht een periode van zes maanden redelijk en billijk voor de desbetreffende personen om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie en (eventueel) aanpassingen te plegen in het uitgavenpatroon. Dit geldt echter alleen voor die personen wier uitkering door deze wijzigingen lager wordt en dus niet voor personen wier uitkering door de wijzigingen gelijk blijft of hoger wordt.

Dit betekent in principe het volgende:

  1. Gehuwden (waarvan één jonger dan 21 jaar en één 21 jaar of ouder) zonder kinderen die met meer personen samenwonen, maar waarbij die medebewoners niet meetellen voor de huidige kostendelersnorm (bijv. commerciële relatie, student of jonger dan 21 jaar) vallen onder het overgangsrecht en houden gedurende zes maanden een hogere uitkering.
  2. De gehuwde waarvan de echtgenoot geen recht op algemene bijstand heeft, zonder kostendelende medebewoners, valt onder het overgangsrecht indien de gehuwde daardoor gedurende zes maanden een hogere uitkering houdt.

In het tweede lid is bepaald dat bij de toepassing van de artikelen 20 tot en met 22a uit het eerste lid in het kader van het overgangsrecht, de normen die in die artikelen genoemd worden, worden geïndexeerd. Gewoonlijk loopt de indexatie van bedragen uit de Participatiewet via artikel 38 van die wet. Echter, omdat in het eerste lid is bepaald dat de artikelen (en dus ook de bedragen die van die artikelen deel uitmaken) voor bepaalde personen blijven luidden zoals ze luidden op de dag voor inwerkingtreding, zouden de bedragen die in die artikelen genoemd worden niet meer geïndexeerd worden. Dit is opgelost door de indexatie apart in dit artikel te regelen.

De aanvliegroute naar de kostendelersnorm wordt overigens ook aangepast. Eerder viel men direct onder artikel 22a Participatiewet als men een meerderjarige medebewoner had. Nu wordt een nieuw artikel 19a Participatiewet ingevoerd met het nieuwe begrip kostendelende medebewoner. Iets wezenlijk anders dan een meerderjarige medebewoner. Er zal dus vastgesteld moeten worden of iemand een kostendelende medebewoner heeft. Dit zijn meer situaties dan alleen de gehuwden waarvan één 18-21 jaar en de ander ouder en de niet-rechthebbende partnersituaties van hierboven.

Kortom, er is weer werk aan de winkel.

 

Delen!